In dit nummer worden de politieke agenda's voor de gemeenteraadsverkiezingen van 3 maart verkend. Een uurtje op de zoekmachine maakte mij duidelijk dat een stevige en integrale visie op de openbare ruimte een ondergeschoven kindje is in de meeste verkiezingsprogramma's. Is dit niet vreemd, omdat de overheid in veel gemeenten nog voor een belangrijk deel eigenaar van en daarmee verantwoordelijk voor de openbare ruimte is?
Niet voor niets duiden we openbare ruimte ook met de term publiek domein aan. In de inrichting, programmering en beheer van het publiek domein kan een gemeentelijke overheid haar inwoners de universele waarden die zij voorstaat direct laten zien en ervaren. In veel verkiezingsprogramma's wordt het belang van ‘een leefomgeving met voldoende groen en schoon water' onderkend, evenals ‘het autoluw maken van de binnenstad' en het ‘verleiden van bewoners om nog meer gebruik te maken van de fiets' door onder andere ‘veilige en duidelijk herkenbare fietspaden en voldoende (overdekte) stallingplaatsen bij openbare gebouwen als het zwembad, de theaters en bij de winkelcentra'. Het belang van ‘een schone straat' wordt regelmatig genoemd. De openbare ruimte ‘uitrusten voor allerlei kunstuitingen' weer minder. Ook ‘de klimaatneutrale stad' rukt als thema op met allerlei jaartallen wanneer dat moet geschieden, maar vaak worden hierbij maatregelen op gebouwniveau genoemd en niet de kansen die hiervoor in de openbare ruimte liggen. Natuurlijk is er niets mis met meer groen, meer ruimte voor de fiets en een schone straat, maar al deze sectorale benaderingen gaan voorbij aan het feit dat juist in het publiek domein een samenspel tussen het fysieke, sociale, economisch en culturele domein plaatsvindt.

Het publiek domein biedt enorme kansen om een verbindende schakel te zijn tussen de bewoners onderling en tussen de bewoners en hun bestuur.
Het publiek domein biedt enorme kansen om een verbindende schakel te zijn tussen de bewoners onderling en tussen de bewoners en hun bestuur. De overheid wil graag dat bewoners zich verantwoordelijk voelen voor het publiek domein, met de oproep van onze minister president om onze stoepen sneeuwvrij te maken als recent voorbeeld. Maar veel bewoners voelen zich al heel lang niet meer verantwoordelijk voor hun stoep, laat staan voor de rest van de openbare ruimte. Om het publiek domein weer van het publiek te laten zijn moet het, zoals Maarten Hajer en Arnold Reijndorp het in 2001 al definieerden, ‘een plaats voor gedeelde ervaringen door mensen met verschillende achtergronden/interessen' zijn en ‘de sfeer waar we de spreekwoordelijke ander tegenkomen en waar we ons moeten verhouden tot ander gedrag, andere ideeën, andere voorkeuren. Het is daarmee ook een domein van verrassing en reflectie'. Het publiek domein lijkt mij daarom anno 2010 meer dan ooit een speerpunt voor ieder verkiezingsprogramma.

Liliane Geerling

Deze column is verschenen in Stedelijk Interieur nummer 1 2010