Hilde Blank BVR adviseurs

Ruimtelijke kwaliteit activeert ontwikkeling

Tijdens de vele lezingen die ik heb gegeven over het onderwerp ruimtelijke kwaliteit stelde ik steevast dezelfde vraag: “Wie wil ruimtelijke kwaliteit”? Waarna, op een enkeling na, iedereen zijn hand op stak. Op mijn vervolgvraag: “En wie kan mij vertellen wat ruimtelijke kwaliteit is?” werd de zaal vaak akelig stil. Iedereen wil het maar niemand weet wat het is.

Ruimtelijke Kwaliteit werd begin deze eeuw een belangrijk onderwerp op de ruimtelijke beleidsagenda’s. Het doel was de verrommeling van stad en land tegen te gaan en een halt toe te roepen aan de drang van ontwikkelaars om vastgoed te realiseren zonder oog voor de ruimtelijke context of gebiedseigen kwaliteiten. Kwaliteit legde het af tegen kwantiteit.

Naast de welbekende academische definitie van belevingswaarde, toekomstwaarde en gebruikswaarde, heb ik het begrip altijd geïntroduceerd als een manier van kijken en handelen. Het kijken richtte zich op de fysieke omgeving waarbij het ging om verschillende ontwikkelingen in een gebied in samenhang te bekijken en om met integraal afgewogen ontwerpvoorstellen te komen. Het handelen was gericht op het tijdig betrekken van ontwerpers in het ontwikkelingsproces en op het bij elkaar brengen van de juiste partijen om de ontwerpvoorstellen te realiseren.

De bestuurlijke aandacht voor ruimtelijke kwaliteit zorgde voor een opwaardering van de ontwerpende discipline. Zo heb ik de afgelopen 10 jaar verschillende functies mogen vervullen als adviseur of atelierleider ruimtelijke kwaliteit: Randstad 2040, Kwartiermaker Provinciaal Bouwmeester Noord Holland, Atelierleider AtelierOverijssel, Adviseur Brabants Expertisecentrum Ruimtelijke Kwaliteit (BERK), en op dit moment als voorzitter van het Kwaliteitsteam Luchthaven Twente.

Toen ik vorig jaar weer eens werd gevraagd om een college ruimtelijke kwaliteit te geven aan MUAD (Master of Urban & Area Development) merkte ik dat mijn praktijklessen achterhaald waren. Ze gingen uit van een maakbare omgeving waar vastgoedontwikkeling en groei de drijfveren waren bij gebiedsontwikkeling. Ik kon mijzelf niet meer vinden in mijn eigen opvattingen en betrapte mijzelf er op dat ik ruimtelijke kwaliteit ben gaan zien als een beleidsinstrument.

Nederland is beleidsmoe. De samenleving zit niet te wachten op nog meer beleid of het zoveelste onderzoeksrapport. Men wenst actie, doorbraken en uitvoeringsgerichte agenda’s. Hiervoor is het nodig om kansen te verkennen en, samen met gebiedspartijen, op zoek te gaan naar de energie en dynamiek in een gebied. In toenemende mate wordt gevraagd om een nieuwe beeldtaal die kansen inzichtelijk maakt, om daarmee partijen in beweging te krijgen.

Dit betekent een omslag in denken van een gebied-dekkende visie naar het denken in netwerken en betekenisvolle plekken (“placemaking”). Dit betekent dat we moeten inzetten op een lange-termijnstrategie (de welbekende stip op de horizon) gecombineerd met het activeren van partijen en initiatiefnemers voor resultaten op korte termijn. We moeten de focus verleggen van het maken van beleid naar het organiseren van beweging en forceren van doorbraken.

Vanuit dit nieuwe inzicht ben ik op zoek gegaan naar een nieuwe betekenis van het begrip ruimtelijke kwaliteit.

Niet vastgoed bepaalt in deze tijd de ruimtelijke dynamiek, maar technologische ontwikkelingen op het gebied van mobiliteit, ICT, nieuwe materialen en nieuwe thema’s als klimaatverandering, circulaire economie en energietransitie.

Het gevolg is andere ontwerpopgaven, andere spelers en ook nieuwe kansen voor de inrichting van stad en land. Ik zie ruimtelijke kwaliteit niet meer als doel om van een gebied een verantwoorde en kwalitatief hoogwaardige omgeving te maken, maar als een middel om kansen te verkennen, partijen te inspireren, cross-overs tussen sectoren te stimuleren, ruimtelijke mogelijkheden te bieden aan ondernemers, burgers, initiatiefnemers om te moderniseren en te innoveren. Het inzetten op ruimtelijke kwaliteit activeert en biedt partijen een handelingsperspectief.